Gregory Caers is als theatermaker inmiddels een goede bekende van het Opera Forward Festival. Hij heeft een eigen taal ontwikkeld, waarmee hij een fysiek antwoord op opera formuleert en die hij het liefst door jongeren laat uitspreken. Ook voor deze editie ging hij aan de slag met een groep studenten van de MBO Theaterschool Rotterdam. Dit keer niet voor een spontane verrassing in de foyer, maar voor een videoclip. Een gesprek met Gregory Caers (regie), Bas Gaakeer (arrangeur), en studenten Chanel Asberg en Kañen Hamen.
Via het scherm is een stukje repetitieruimte te zien waar zich, netjes op afstand, een deel van het team van het project HCoV-NL63 heeft verzameld. De energie die zich in de repetitieruimte heeft opgebouwd, is zelfs via het digitale medium voelbaar. “Ik vind het heerlijk dat we dit mogen doen, dat we zo’n privilege hebben om met elkaar te mogen werken in deze bizarre tijd,” vertelt Kañen enthousiast. “Hiervoor hebben we veel online lessen gehad. Het is heel fijn om je nu een hele week met elkaar in een repetitieruimte op een project te kunnen storten,” aldus Chanel. De twee studenten beschrijven de manier waarop ze aan het werk zijn gegaan. Aan de hand van opdrachten creëren ze zelf het materiaal. Chanel: “We maken beelden, die laten we aan het team zien, en zij pikken daar dingen uit. Nu hebben we ook alle ideeën op de muur geplakt.” Het beeld verschuift naar het prikbord achter het hoofd van Gregory, een donkergroen vlak vol witte vierkantjes, voor elk stukje materiaal een blaadje.
Gregory maakte al drie keer eerder een performance voor OFF, Bas was bij elk van die projecten betrokken. Samen breken zij de grenzen van wat opera kan zijn open. Dit keer experimenteren ze met de vorm van een videoclip. Gregory vertelt lachend dat hij de titel van de voorstelling zelf ook niet goed kan onthouden, maar dat het wel is waar het werk over gaat. “De code staat voor een van de varianten van het coronavirus. En wat we aan het onderzoeken zijn, is hoe we via beelden een metafoor kunnen vinden voor de manier waarop het virus zich verspreidt, verplaatst en overspringt op anderen. Het gaat over de berg regels die erbij zijn gekomen en ons wijzen op wat er allemaal niet mag, en de gedachten die die beperkingen met zich meebrengen. De verdubbeling van die gedachten, en het lijf dat daartegen vecht – dat proberen we te tonen.” Chanel vult aan: “We zijn op zoek naar het gevecht voor vrijheid in jezelf.” Gregory: “We tonen de belichaming van dat gevecht in jezelf.”
Cold Song
Bas bewerkte daarvoor het ‘Cold Song’ uit Henry Purcells King Arthur (1691).
Gregory vertelt hoe die muziek eigenlijk heel intuïtief werd gekozen.
“Het gaat over iemand die wil sterven. ‘Laat mij maar opnieuw
doodvriezen’ zingt hij. Het is kou waarbinnen het virus het beste
gedijt. En kijk,” zegt hij lachend, “het is nu -9 graden, waardoor we de
eerste dag niet eens hebben kunnen repeteren.” Bas heeft de muzikale
mogelijkheden van de groep onderzocht, alvorens hij het arrangement
schreef. “Dat wil eigenlijk zeggen, we moeten het doen met de stemmen en
de lijven die er zijn. Er zitten percussiegeluiden in, ademgeluiden, en
er wordt veel gezongen. Het origineel bestaat uit een strijkorkest en
een solist. Ik heb alle instrumenten vervangen door gezongen stukken op
klank.” Omdat Bas en Gregory al langer samenwerken, heeft Bas zijn
arrangement op Gregory’s taal aan kunnen passen: “Ik heb een bepaalde
rauwheid, strijd en zwaarte ook laten terugkomen in de gezongen
klanken.”
Een andere taal
Hoe ervaren de studenten de taal van Gregory? Leren ze deze al een
beetje spreken? Kañen vertelt hoe ze alles wat ze op de opleiding hadden
geleerd in het repetitielokaal bij Gregory konden vergeten: “Ik had
allerlei dingen bedacht die ik kon laten zien, die mooi zouden zijn.
Maar toen werden we al snel onderbroken door Gregory, hij zei: ‘vergeet
dat allemaal, dat gaan we niet doen.’ Het is veel meer een zoektocht
naar beelden, naar momenten. Alles wat we kenden moesten we loslaten, en
we zijn met elkaar gaan zoeken naar een andere vorm.” “En als we het
toch over taal hebben,” vult Bas aan, “er zijn bepaalde woorden die
Gregory niet verdraagt, zoals ‘leuk’ en ‘mooi’.” Gregory legt uit hoe er
vaak een misverstand bestaat over werken met jonge mensen, dat kunst
maken met studenten vooral ‘leuk’ zou moeten zijn. Daar is hij het niet
mee eens. “Op het einde van de rit moet iedereen denken: ‘Wauw, nu heb
ik iets gedaan, waarvan ik niet had gedacht dat ik het kon. Ik heb
mezelf overstegen. En daar is hard voor gewerkt.’ Dan ga je met veel
meer trots naar huis dan wanneer je denkt: ‘dat was leuk’.” De rest van
het team gniffelt van herkenning, er wordt instemmend geknikt.
Gregory’s eerdere werk was interactief, ontstond vaak plotseling in de foyer, en zette de verhouding tussen toeschouwer en performer op scherp. Gregory: “Dat vond ik vaak de kracht bij de vorige edities. Ik herinner mij dat er tijdens de tweede editie zelfs duetten werden gezongen, op het moment zelf met het publiek samen geïmproviseerd. Dat is natuurlijk iets wat we nu niet kunnen doen. Nu kunnen we ‘alleen’ maar het materiaal tonen dat we zelf creëren.” Maar de nieuwe vorm biedt ook mogelijkheden. Chanel: “Als je een voorstelling maakt, maak je echt een hele boog en neem je een toeschouwer mee op reis. Bij film kun je veel meer in momenten denken, in vette beelden. Je kunt experimenteren met dat wat in het theater niet mogelijk is.” Gregory: “Je kunt veel meer gaan kiezen, en dat geeft je weer heel andere mogelijkheden.”
Na afloop van het gesprek, vlak voordat op het rode telefoontje van ‘ophangen’ wordt gedrukt, vang ik nog twee laatste woorden van Chanel op: “Zó leuk.” Gelukkig maar.
Tekst: Jasmijn van Wijnen
Foto: Milagro Elstak